VIBA

Materiaalgebruik

TR>
Deze pagina:
Kwaliteiten
Levenscyclus
Artikelen en links

Kwaliteiten
In constructies en materialen worden vele kwaliteiten waar VIBA waarde aan hecht waarneembaar: ze zijn immers zichtbaar, tastbaar (voelbaar), ruikbaar en als gevolg van de akoestische werking ook deels hoorbaar. De vormen, structuren en kleuren bepalen of men zich veilig en geborgen voelt en of het bouwwerk betekenis krijgt voor gebruikers en omstanders. Een deel van deze aspecten komt aan bod bij de thema’s Geluid en akoestiek, Licht en zicht en Vormgeving.

In deze paragraaf wordt vooral aandacht besteed aan de eisen die VIBA stelt aan de uitkomst van de levenscyclusanalyse van constructie-, bouw- en afwerkingsmaterialen, waarbij zowel naar milieu- als gezondheidseffecten wordt gekeken. De weging van prestaties op onderdelen is daarbij subjectief, afgeleid van de oorspronkelijke insteek van het bio-ecologisch bouwen:

  • Zo wordt er veel waarde gehecht aan de locale of regionale oorsprong van materialen, uit de overtuiging dat dit het beste aansluit bij wat mensen hier nodig hebben; bovendien worden de eventuele negatieve gevolgen van winning niet afgewenteld op andere gebieden en volken.
  • Ook een lage bewerkingsgraad, met een lage energie-inhoud, is een aanwijzing dat materialen hun oorspronkelijke eigenschappen zoveel mogelijk behouden en er weinig nieuwe risico’s voor milieu en gezondheid worden geďntroduceerd.

De voorkeur van VIBA gaat uit naar nagroeibare of oneindige bouwmaterialen. Dit is met name van toepassing voor constructies,  omdat daar een grote hoeveelheid materialen in verwerkt wordt. Leem, hout en stro zijn voorbeelden van materialen die voldoen aan dit uitgangspunt. Maar ook op het detailniveau geldt het vermijden van bijvoorbeeld producten uit mijnbouw en zware industrie (olie, metalen).

Vervolgens hecht VIBA meer dan andere duurzaam bouwen-organisaties aan het vermijden van schadelijke emissies uit bouwmaterialen tijdens de gebruiksfase, zowel naar het binnen- als buitenmilieu. Materialen waarover wat dit betreft te weinig bekend is worden bij voorkeur niet gebruikt, vooral als er goede alternatieven beschikbaar zijn.

Vanzelfsprekend moeten alle geselecteerde materialen/producten passend zijn en functioneel in hun toepassing. Er moet met de grootste zorg worden ontworpen, gedetailleerd, ingepast en onderhouden. Met het oog op hergebruik moet gebruik worden gemaakt van uitneembare samenstellingen en niet-schadelijke afwerk- en onderhoudsmiddelen. Binnen VIBA wordt ook wel gesproken over de mogelijkheid alle gebruikte materialen terug te kunnen geven aan de aarde, als onderdeel van een grote kringloop.


Levenscyclus
De levenscyclus van materialen loopt van winning (locatie), via transport en bewerking,  toepassing en verwerking, tot gebruik, onderhoud en sloop, om bij voorkeur weer in de keten te worden ingevoerd, liefst rechtstreeks, maar zonodig na recycling. Hierna worden de belangrijkste aandachtspunten per fase beschreven, met een aantal concrete voorbeelden van bouwmaterialen:

  • De winning van grondstoffen mag niet bedreigend zijn voor waardevolle landschappen en heeft hoogstens een korte en beperkte verstoring van de aanwezige flora en fauna tot gevolg; deze krijgt de kans weer aan te groeien. Bovendien levert winning geen onacceptabele hinder van geluid, stof en gevaar op voor omwonenden.
    Bij voorkeur is de winning van grondstoffen en een eerste bewerking tot halffabricaten van economisch belang voor de bevolking ter plekke, zonder bedreigend te zijn voor hun gezondheid.
    Hout uit tropische en gematigde streken past niet in dit scenario, evenals diverse gesteenten uit (open) mijnbouw en olie van slecht gecontroleerde boorstations. Bamboe, kokos en latex zijn voorbeelden van bouw- en inrichtingsstoffen waarmee ontwikkelingslanden een economische basis kunnen ontwikkelen, zonder natuur, milieu en gezondheid aan te tasten.
    Worden grondstoffen gewonnen door recycling, dan wordt hiermee de winning van maagdelijke grondstoffen voorkomen. Het is wel zaak ervoor te zorgen dat er geen stoffen met schadelijke emissies terecht komen in toepassingen waar deze kwaad kunnen, zoals het geval zou kunnen zijn met slakken uit de metaalindustrie, fosfogips e.d. Sommige reststoffen zijn juist prima geschikt als grondstof voor bouwmateriaal, zoals rogips, houtvezels, glas en schoon puin.
  • Het energiegebruik en de vervuilingsrisico’s die verbonden zijn aan transport en bewerking moeten tot het uiterste worden beperkt. Dit betekent dat afstanden bij voorkeur kort zijn en dat de bouw zo min mogelijk gebruik maakt van bouwproducten waar olie, zware metalen, chloor en dergelijke in worden verwerkt.
    Het gebruik van vele kunststoffen, met name pvc, en bijvoorbeeld zink moeten daarom vermeden worden. Er moet doelbewust worden omgegaan met bouwproducten met een hoge energie-inhoud, zoals aluminium, hardgebakken stenen en isolatiematerialen uit mineralen.
  • De verwerking van producten in een bouwwerk vergt bij voorkeur geen onevenredige hulpconstructies en hulpenergie, en vormt geen bedreiging voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van werknemers in de bouw.
    Zware bouwmaterialen moeten daartoe in handzame maten beschikbaar zijn.
    Materialen waaruit tijdens verwerking hinderlijke of schadelijke stoffen vrijkomen, moeten worden vermeden. Soms kan dat door onder gecontroleerde omstandigheden bouwdelen te prefabriceren; dakdozen met daarin vezelig isolatiemateriaal, houtwerk met grondverf of een compleet verfsysteem, geprefabriceerde betonelementen in plaats van storten in het werk, e.a. VIBA geeft geen prioritaire aandacht aan arbeidsomstandigheden.
  • Tijdens de bewoning of ander gebruik mogen er geen schadelijke stoffen vrijkomen uit of vervelende bijwerkingen ontstaan van bouwmaterialen. Aandacht moet bijvoorbeeld worden besteed aan het vermijden van koper, lood en zink, omdat deze door water uitlogen en afspoelen naar bodem en oppervlaktewater.
    Hoewel zeker niet alle natuurproducten 'gezond' zijn, maakt VIBA zich in het algemeen minder zorgen over emissies uit onbewerkte en natuurlijke materialen dan over emissies uit bewerkte en kunstmatige materialen. Zo worden verbrandingsgassen van onbewerkt hout met minder argwaan bekeken dan die uit kunststoffen of metalen. Plantaardige en dierlijke vezeltjes kunnen weliswaar leiden tot stoffigheid, vervuiling en allergieën, maar lijken minder ongezond dan vezels uit minerale wol, stof van verlijmde houtproducten of verwerende synthetische verven. De dampen en geuren uit hout en lijnolie worden minder verdacht dan de oplosmiddelen van synthetische verven, kitten en schoonmaakmiddelen.
    Als er meer bekend wordt over de emissie van radon uit uiteenlopende bouwmaterialen (bij introductie van de StralingsPrestatie-Normering), zal VIBA haar voorkeur voor het bouwen met massa (vanwege thermisch comfort, vochtregulering, energiezuinigheid en geluidkwaliteit) in dit licht moeten beschouwen.
    Voorlopig worden hieraan minder nadelen toegedicht dan aan het gebruik van materialen die statisch opladen of materialen die geen bijdrage leveren aan de vochthuishouding in een ruimte.
    Materialen die veel en agressief onderhoud vergen moeten altijd vermeden worden. Voor het vermijden van schimmels uit vochtige ruimten hebben kalkpleister, kalkmortel en kalkverf de voorkeur boven gipsproducten; harde vloerbedekkingen hebben de voorkeur boven textiele; erg zachte houtsoorten, al dan niet met verfsysteem, zijn niet geschikt voor bouwdelen en inrichtingselementen die blootstaan aan mechanische belasting.
  • Met het oog op goede hergebruiks- en recyclingmogelijkheden moeten materialen liefst enkelvoudig toegepast worden, dus niet verlijmd of anderszins verwerkt tot een composiet. Ook is het voor selectief slopen interessant dat het aantal verschillende materialen in een bouwwerk beperkt blijft, en dat aan het uit elkaar nemen geen grote risico’s verbonden zijn voor veiligheid, gezondheid en welzijn.
    De beloftes voor terugname en hergebruik door leveranciers op termijn worden door VIBA met een korrel zout genomen, als niet al op dit moment alle afval van dit product naar de fabriek gaat of als niet nu al een hoog aandeel van hun producten bestaat uit deze herwonnen grondstof (of uit vernieuwbare bronnen). Als gevolg van de koppeling tussen afvalverbranding en energiewinning lijkt het afvalstadium van minder belang te worden. Toch blijft er veel aan gelegen schadelijke bijproducten van verbranding (in vaste stof, op filters en als verwarming van oppervlaktewater) tot het uiterste te beperken.

In het voorgaande gedeelte zijn vooral veel voorbeelden genoemd die spelen op gebouwniveau. Ook voor materiaalgebruik in de gebouwde omgeving gelden dezelfde principes, maar met wat andere accenten. De hoeveelheden materiaal die in Nederland omgaan in grond-, weg- en waterwerken is een veelvoud van wat er omgaat in nieuwbouw en renovatie van gebouwen. Daarom is de eerste vraag: kan het werk voorkomen of beperkt worden, eventueel door inzet van andere principes. Zo kan er vaak selectief worden opgehoogd in plaats van integraal, of kan ophogen onder woningen soms worden nagelaten als er kruipruimteloos wordt gebouwd. Door het rechtstreekse contact van materialen met water, bodem, planten en dieren (en kinderen) is het ook bij civiele werken van het grootste belang materialen met schadelijke emissies te vermijden: dus geen zink, lood, koper, verduurzaamd hout, kunststof korrels e.d.


Artikelen en links



 
Viba-Café
2 september 2010
 
VIBA-café op locatie

 
Aanmelden!
 


Architecten,
Adviseurs
Bouwers
met
visie:
 

 
VIBA-bedrijfsleden
 

 

Expositie Ecologisch Bouwen
 
Zoeken
op de website
 
 
Disclaimer
 © 2010 VIBA Vereniging